Menu Content/Inhalt
Home
Begrippenlijst

 

Kies hieronder uw begrip waar u uitleg over wenst

 Sociale groep Continu belonen
 Lichamelijke houding Fixed Ratio
 Gezichtsuitdrukking Fixed interval
Ogen Variabele ratio
Verwervingsfase Variabele interval
Vaardigheidsfase Intake gesprek
 Behendigheidsfase Opnames
 Handhavingsfase Microanalyse
 Fysieke afstand Doelstelling evalueren
 Connectie Systematische Desensitisatie
 Gewenning of habituatie Countercontidioning
 Socialiseren Deritualisatie
 Shaping (Cue) -exposure
 Backwards-ShapingDesensitisatie
 Targettraining Stopmechanisme
 Habituatie Impulscontrole
 Toon van de stem Speltherapie
 Extincitie
 
  

De sociale groep bestaat uit de leden van het gezin waar de hond in leeft. Dit kunnen naast mensen ook ander dieren zijn zoals een poes of een konijn. 

 Lichamelijke houding heeft te maken met de algemene positie van het lichaam. Het gaat om de houding van het hoofd, de schouders, heupen, voeten en de stand van de armen en benen. Met je lichaam kan men verschillende mogelijke houdingen aannemen zoals bijvoorbeeld een neutrale, een frontale of een onderdanige houding.
Een neutrale houding is met ontspannen schouders, je hoofd lichtjes naar links afgebogen weg van de hond en je ogen gericht op de grond. Een frontale houding is je schouder, heupen, voeten allemaal dezelfde kant op wijzen. Een onderdanige houding doet men door schouder hoofd en voeten niet naar dezelfde kant te laten wijzen, jezelf klein maken en heel langzaam weg te bewegen.

Gebaren gaat om bewegingen met de armen en benen.

De gezichtuitdrukking is bij de mensen het best ontwikkeld, de mens heeft meer controle over de gezichtsspieren dan elk andere diersoort. Bij honden is er ook sprake van een gezichtsuitdrukking. Bijvoorbeeld de spieren die de bovenlip optrekken of de oren die bewegen.

Ogen kunnen ook boekdelen spreken. Men spreekt over harde en zachte ogen. Harde ogen zijn groot opgetrokken ogen en bij zachte ogen zijn de oogspieren ontspannen. Een andere belangrijk aspect om te vermelden is dat mensen elkaar aankijken als ze met iemand praten, terwijl honden elkaar aankijken als ze elkaar bedreigen of fixeren.

De toon van de stem is een  belangrijk aspect van onze communicatie. In de interactie met onze honden kan de toon van de stem gebruikt worden. Een lage stem stelt een hond gerust. Een hogere toon maakt de hond steeds enthousiaster en is een middel om de hond te motiveren tot o.a. spelgedrag.

Fysieke afstand is belangrijk. Een hond kan afhankelijk van de grote van de fysieke afstand onder appel staan of zijn eigen weg kiezen.

Connectie is de verbondenheid tussen de hond en hun eigenaar! Deze komt tot stand door duidelijke communicatie en wederzijds respect. Het is dan ook duidelijk dat dit niet ineens komt maar dat hier aan gewerkt moet worden. 


 Gewenning of habituatie is het proces waarbij een hond steeds minder zal reageren op een bepaalde frequent herhaalde prikkel.

 Wat is socialiseren:
Socialiseren is het leerproces om te leren omgaan met jezelf en anderen. Verschillende levende soorten (mensen, andere honden en andere dieren) leren aanzien als een sociale partner. (inter- en intrasocialisatie) 

Shaping
Deze methode is uitgevonden door Skinner. Hij beloont een dier stapsgewijs (in Skinner zijn woorden: ‘successive approximations’). In de praktijk gaat met een gedrag als doel stellen en dat gedrag opdelen in heel veel kleine tussenstapjes. Telkens als de hond beter gedrag vertoont in de richting van het gedrag dat als doel is gesteld, wordt de hond beloond. Een hond hoeft het in eerste instantie dus niet perfect te kunnen want de moeilijkheidsgraad wordt stapsgewijs verhoogd.  
 

Backwards-Shaping
Dit is het zelfde als shaping maar men begint bij een einddoel en werkt stapsgewijs terug. In de praktijk kan men zich voorstellen dat een hond ergens moet gaan van A naar B. De hele weg trekt de hond aan de lijn. Omdat de afstand te lang is gaat men beginnen bij punt B en dan stapsgewijs terugtrainen naar punt A. 

Targettraining is gebaseerd op shaping maar je gebuikt een target (een targetstick, een hand, een mat, etc.). Hond moet zijn aandacht vestigen op de target en daar zich daar naar toe begeven. De target fungeert als een anker en door zich daar op de concentreren kan de hond moeilijke situaties trotseren. Deze methode wordt onder andere gebruikt bij de training van blindengeleidehonden. 

Habituatie: In normale taal komt het erop neer dat een hond aan bepaalde prikkels went. De initiële reactie bijvoorbeeld blaffen het liedje van de ijsverkoper die in de straat rijdt moet afnemen als de hond went aan het geluid. Iets wetenschappelijker: Habituatie is de simpelste vorm van leren. Het is in 1976 onderzocht door Eric Kandel, beschreven in Kolb en Whishaw (2000). Hij onderzocht het welke neurotransmitters er vermeerderde of verminderde bij habituatie en sensitisatie. Bij habituatie (gewenning) komt er steeds minder serotonine vrij in de synaptische spleet. En de informatie wordt op die manier niet meer doorgegeven. Bij sensitisatie komt er meer Serotonine vrij waardoor de volgende nucleus zijn actie potentiaal bereikt (-50 millivolt) en zo de informatie in de vorm van het vrijkomen van serotonine door geeft. 

Verwervingsfase: De hond leert in deze fase het ‘motorische’ gedrag dat van hem verwacht wordt. Dit wordt in een labo-setting getraind. Er wordt in eerste instantie geen commando gegeven. Het commando wordt ingevoerd als de hond het ‘motorische’ gedrag dat van hem verwacht wordt heeft begrepen. Het commando wordt dan gegeven op de intentie dat de hond het gedrag gaat vertonen. (met motorisch gedrag wordt vooral het fysieke gedrag bedoelt, met ander woorden het gebruik van het spier- en beendergestel). 

Vaardigheidsfase: De hond wordt nu steeds beloond met spel. De hond wordt steeds meer op zijn baasje gefocused.  Verder moet de hond in deze fase de oefening steeds sneller uitvoeren. Het lat van de oefening wordt steeds verhoogd om de oefening te verfijnen. 

Behendigheidsfase: De hond wordt in deze fase met een variabel ratio schema getraind. Verder worden er steeds meer prikkels ingebracht en kan men spreken over generalisatie (de hond moet de oefening moet overal kunnen). 

Handhavingsfase: De geleerde oefeningen moeten af en toe beloond worden. Indien een hond nooit meer beloond wordt zal het gevraagde gedrag uitdoven (hond gaat het niet meer uitvoeren)    

Continue belonen houdt in dat de hond voor elk vertoont gedrag beloond wordt. 

Bij het fixed ratio belonen wordt de hond telkens beloond na een vast aantal keren het gewenste  gedrag vertoond te hebben. Bijvoorbeeld een hond moet telkens drie of zeven of tien keer oogcontact maken voordat hij beloond wordt 

Fixed interval lijkt op het fixed ratio belonen. Het enige verschil is dat het aantal keren dat de hond het gedrag moet vertonen wordt omgezet in een bepaalde tijd. Bijvoorbeeld een hond die telkens om de 2 minuten wordt beloond. 

Het variabele ratio is een beloningsschema waarbij de hond willekeurig zijn beloning krijgt, onafhankelijk van het aantal keren dat er gewenst gedrag is vertoond. Bijvoorbeeld de hond wordt de ene keer beloond na drie keer het gewenst gedrag te vertonen. De volgende keer wordt de hond beloond na zeven keer het gewenst gedrag te vertonen. 

Bij het variabele interval schema is de tijd dat de hond beloond zou worden, willekeurig. Dus de ene keer na 2 minuten en de volgende keer na 5 minuten.  

Intake gesprek: in dit gesprek worden samen met de hondeneigenaar tussenliggende doelen en einddoelen gesteld. 

Opnames: De hondeneigenaar kan tijdens de les worden gefilmd. 

Microanalyse: In deze fase wordt de film stap voor stap geanalyseerd zowel de hondeneigenaar als de begeleider kiezen filmfragmenten die besproken worden. 

Doelstellingen evalueren: De vooropgestelde doelstellingen worden geëvalueerd en eventueel bijgesteld.  

Systematische desensitisatie: Een prikkel stelselmatig in intensiteit doen toenemen zodat de hond hier aan kan wennen. Bijvoorbeeld een hond en de een probleemprikkel (vb. andere hond) stapsgewijs in afstand bij elkaar brengen. Zodat de hond kan merkt dat de prikkel niks voorstelt.  

Countercontidioning: Met couterconditioning leert men een hond een onverenigbaar gedrag aan gekoppeld aan een positieve emotie. Dit gebruikt men vervolgens bij de angstuitlokkende prikkel.Iets wetenschappelijker: counterconditioning is gebaseerd op de theorie van Lang. Het kernthema van zijn theorie is de emotie en het ombuigen van die emotie in een incompatibele gevoel. Lang spreekt over emotionele netwerken die verschillende soorten representaties (stimulus-, betekenis- en respons representatie) opslaan in het lange termijn geheugen. De respresentaties vormen cognitieve netwerken die fungeren als mallen voor herkenning van betekenisvolle situaties. De bedoeling is dan om een nieuwe betekenis- en responsrepresentatie te koppelen aan een stimulus representatie. De respresentaties moeten incompatiebel zijn met de angst opwekkende stimulusrepresentaties. Wijzigingen in motorische reacties, lichaamshouding en gelaatsuitdrukking zijn de belangrijkste elementen ter verbetering in contraconditionering.   
 

Deritualisatie: Ritualisatie ontstaat door bepaalde dingen telkens op dezelfde manier te doen. De hond is gewent aan dit ritueel. Indien het ritueel doorbroken wordt kan een hond angstig worden of agressie vertonen. Het is belangrijk om de deritualisatie goed doordacht aan te pakken.  

(Cue)-exposure: Als de socialistatie periode voorbij is (na 16 weken) en de hond moet aan bepaalde zaken wennen kan er gesproken worden van exposure of bij een specifieke prikkel cue-exposure. De hond wordt geconfronteerd met bepaalde prikkels. Door de letten op de houding van de hond kan bepalen of de exposure volstaat of niet. Bij cue-expose verwacht de hond iets een bepaalde prikkel waardoor ongewenst gedrag optreed. Bij cue-exposure leert de hond dat hetgeen de hond geanticipeerde niet meer gebeurt waardoor het ongewenst gedrag afneemt.  

Desensitisatie: De hond is om wat voor reden dan ook gesensitiseerd voor een bepaalde prikkel. Bij een lage intensiteit van deze prikkel reageert de hond met ongewenst gedrag. Met de desesitisatie interventie went de hond aan de prikkel waardoor hij niet meer reageren op de prikkel.  

Stopmechanisme: oefeningen aan leren dat het ongewenste gedrag van de hond verscheurt.  

Impulscontrole: Bij deze interventie wordt de hondeneigenaar zijn hond vooral oefeningen die de impulscontrole bevorderen. De hond moet zich leren inhouden en respect hebben voor de eigenaar. Alle resources moeten daarvoor onder controle staan van de hondeneigenaar. Bij deze interventie wordt er ook gewerkt aan structuur en regels die de hond de nodige rust bieden. Situaties waardoor de hond zijn impulscontrole verliest moeten vermeden worden! Tot er alternatief gedrag aangeleerd is.  

Speltherapie: Verschillende vormen van spel worden aangeleerd om u en uw hond veel plezier te laten beleven. Maar ook om u hond oefeningen aan te leren via spel. 

Extincitie: de associatie die is ontstaan tussen een prikkel en het uiten van gedrag moet doorbroken worden. Vaak beloond men een hond onbewust. De hondeneigenaar wordt hier op attent gemaakt en krijgt tips over hoe met een hond kan belonen en hoe niet.

 Hersenen
In de hersenen komen neurotransmitters zoals serotonine, dopamine, acetylcholine norepinefrine en vrij maar er worden ook hormonen geproduceerd. Deze twee systemen met de desbetreffende hersenstructuren zoals o.a. het limbisch systeem (cingulate gyurs, hippocamus, amygdala, anterior thalamus en mammillothalamic tract) en de frontale hersenen (dorsolaterale- en inferior prefrontale cortex met de orbitale cortex) zijn verantwoordelijk voor het bepaalde gedragingen van de hond. Bij emoties zijn de delen van de orbitofrontale cortex en de amydala verantwoordelijk voor gevoelens zoals angst en boosheid. De hypothalamus is verantwoordelijk voor de automatische reacties zoals het hart dat sneller gaat sneller pompen, de ademhaling die versnelt en zweten die gepaard kunnen gaan bij emoties. Op neurotransmitterniveau kunnen we stellen dat te veel serotonine OCD kan veroorzaken en te weinig serotonine tot een depressie kan leiden. Serotonine staat ook in verband met habituatie en sensitisatie. Dopamine heeft te maken met motorisch gedrag, met leren en onthouden maar ook met de beloningscentra in de hersenen. (door belonen met voeding wordt er meer dopamine aangemaakt). Acetylcholine zorgt voor het activatieniveau van de hersenen en het geheugen. Te veel norepinephrine staat in verband met overactief gedrag en te weinig norepinephrine correleert met depressies.

Laatst bijgewerkt op ( Thursday 09 October 2008 )